De Raad van State

De Afdeling rechtspraak van de Raad van State maakte gebruik van de grammaticale interpretatie in de volgende zaak. Burgemeester en wethouders van Delft hadden een aanvraag om een bijdrage in de kosten van verbetering van een woning in het kader van de Regeling geldelijke steun voorzieningen aan particuliere huurwoningen 1985, afgewezen omdat de aanvraag flexplek huren amsterdam was ingediend nadat de verbouwing had plaatsgevonden. In een eerdere Beschikking, ter vervanging waarvan de Regeling strekt, was bepaald dat de bijdrage niet werd verstrekt indien met het treffen van de voorzieningen was begonnen voordat de eigenaar een aanvraag om een bijdrage bij de gemeente had ingediend. De Regeling bevatte zo’n uitdrukkelijke bepaling niet, omdat de Regeling uitging van de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenten. Daarbij werd het stellen van voorwaarden flexplek huren schiphol door het Rijk die de verhouding betreffen tussen de gemeenten en hun burgers, niet op zijn plaats geacht. Het stond de gemeenten wel vrij om desgewenst een dergelijke bepaling in een verordening op te nemen, zo was door het ministerie verklaard. Daarbij was nog opgemerkt dat naar de mening van de minister in de Regeling impliciet was te lezen dat niet met de werkzaamheden mocht worden begonnen alvorens de aanvraag bij de gemeente was ingediend. In deze zaak moest dus de vraag worden flexplek huren rotterdam beantwoord of de stelling van burgemeester en wethouders, dat art. 7 lid 1 van de Regeling zo moest worden begrepen dat geen bijdrage kon worden verstrekt wanneer reeds met de werkzaamheden is begonnen alvorens een aanvraag bij de gemeente was ingediend, juist was. Dit was naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer af te leiden uit art. 7 lid 1 van de Regeling. Art. 7 lid 1 beoogde zeker te stellen dat controle op de uitvoering en op een juiste uitvoering van de Regeling mogelijk was. Het enkele feit dat de aanvraag was ingediend na het treffen van de voorzieningen, maakte die controle niet onmogelijk. Dat was beoogd met art. 7 lid 1 een bepaling als door verweerders genoemd in de Regeling op te nemen – nog daargelaten de betekenis die daaraan moest worden gehecht in deze situatie, waar de tekst van de Regeling op dit punt geen aanknopingspunten voor zulk een opvatting bood – achtte de Afdeling evenmin flexplek huren utrecht aangetoond. In dat geval zou immers, naar moest worden aangenomen, een bepaling vergelijkbaar met die van de voormalige Beschikking die -zo was uit de jurisprudentie van de Afdeling af te leiden – niet voor tweeĆ«rlei uitleg vatbaar was, in de Regeling zijn opgenomen. Gelet op het vorenstaande oordeelde de Afdeling dat gemeente en wethouders bij het bestreden besluit een onjuiste grondslag hadden gehanteerd. ARRvS 19 augustus 1988, nr. R03.86.5070